Briefje willekeurige ambtenaar voorkomt omgevingsvergunning van rechtswege

Bedrijven die zoeken naar een nieuwe vestigingsplaats en daarbij stuiten op strijd met het bestemmingsplan, wenden zich tot de gemeente met de vraag of er misschien van dat bestemmingsplan kan worden afgeweken. Dat kan in de vorm van een concrete aanvraag, zoals ook het geval was in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 20 december 2017. Het dossier werd door het Hoofd Economische Zaken voortvarend opgepakt en binnen drie weken kreeg de aanvrager een brief terug van hem, waarin stond dat het gemeentelijke ruimtelijke beleid aan medewerking aan het verzoek in de weg stond, maar dat graag werd meegedacht bij de zoektocht naar alternatieve vestigingslocaties. Burgemeester en wethouders stuurden de aanvrager pas enkele maanden later een brief waarin stond dat besloten was om voor de aangevraagde locatie geen planologische medewerking te verlenen. Het bedrijf stelde zich vervolgens op het standpunt dat er inmiddels een vergunning van rechtswege was ontstaan, nu er niet tijdig was beslist op de aanvraag.

Onbevoegd, niet namens het college en geen rechtsmiddelenclausule maar toch een besluit

Lopende de procedures hierover komt vast te staan dat het Hoofd Economische Zaken niet bevoegd was om op de aanvraag te beslissen. Bovendien ontbrak in de brief van het Hoofd Economische Zaken de vermelding dat namens burgemeester en wethouders was beslist en kende de brief ook geen rechtsmiddelenclausule. Oftewel, gesteld zou kunnen worden dat het Hoofd Economische Zaken op eigen houtje heeft gehandeld ten aanzien van de aanvraag.

Ondanks de gegeven omstandigheden komt de Afdeling tot het oordeel dat de brief van het Hoofd Economische Zaken gekwalificeerd moet worden als besluit als bedoeld in artikel 1:3 eerste lid van de Awb. Volgens de Afdeling heeft het Hoofd Economische Zaken de aanvraag van het bedrijf om een omgevingsvergunning afgewezen door tekstueel concreet en ondubbelzinnig op het verzoek te beslissen. De Afdeling licht in dit verband toe dat de vraag of met een handeling een rechtsgevolg is beoogd en het al dan niet om een besluit gaat, moet worden onderscheiden van de vraag of degene die de op rechtsgevolg gerichte handeling heeft verricht bevoegd was namens een bestuursorgaan dat besluit te nemen.

Het rechtsgevolg en onbevoegde besluitvorming

De beslissing van het Hoofd Economische Zaken had volgens de Afdeling rechtsgevolg nu deze concreet en ondubbelzinnig was. De aan het besluit klevende (bevoegdheids)gebreken doen volgens de Afdeling dus niet af aan het besluitkarakter van de brief. De gebreken konden bovendien nog worden hersteld.

Herstellen van het gebrek na de beslistermijn

De procedure is hangende het hoger beroep voortgezet, waarbij door het college bij de beslissing op bezwaar het bevoegdheidsgebrek werd hersteld. Door het bedrijf werd aangevoerd dat uit de aard van de regeling van de lex silencio positivo, waarbij een fatale beslistermijn is gesteld, voortvloeit dat een dergelijk gebrek na afloop van die beslistermijn niet meer kan worden hersteld. Dat betoog wordt verworpen. Er was volgens de Afdeling immers wel degelijk sprake van een besluit en er bestaat geen grond voor het oordeel dat de regeling lex silencio positivo aan een herstel van het gebrek in de weg staat.

Deze uitspraak geeft materieel toch wel te denken: een ambtelijke afwijzing ‘stuit’ het wettelijk systeem van de omgevingsvergunning van rechtswege.

Coen Geerdes.

Advocaat: Omgeving en overheid

20 december 2017 Kennis

Stuur Coen een reactie

  • Bescherming persoonsgegevens:
    U kunt erop vertrouwen dat wij uw persoonlijke gegevens verwerken volgens onze privacy policy.