Functiewijziging van bedrijventerrein naar leisure ook geen stedelijk ontwikkelingsproject

Het begrip "stedelijk ontwikkelingsproject" houdt de gemoederen al even bezig. Als er sprake is van een stedelijke ontwikkelingsproject heeft dat namelijk grote gevolgen voor de procedure waarmee een leegstaand gebouw kan worden getransformeerd. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 18 juli jl. duidelijk gemaakt dat ook een behoorlijke functiewijziging niet hoeft te kwalificeren als een stedelijk ontwikkelingsproject.

Forse functiewijziging

In de uitspraak van 18 juli (ECLI:NL:RVS:2018:2414) was een transformatie van een leegstaand bedrijfsgebouw op een bedrijventerrein aan de orde. De initiatiefnemer wilde daar een leisurecentrum vestigen, met daarin onder meer horeca-activiteiten, een kinderspeeltuin en bowlingbanen. Ten behoeve van dat plan moest onder meer het aantal parkeerplaatsen aanzienlijk worden uitgebreid. Het bebouwde oppervlak, zo’n 2.500 m2, zou niet worden uitgebreid.

Ten gevolge van deze ontwikkeling zou het ter plaatse aanwezige gebruik van “kleur verschieten", van bedrijventerrein naar cultuur en ontspanning en horeca. Omdat dit gebruik in strijd was met het geldende bestemmingsplan verzocht de initiatiefnemer het college van de gemeente Ede om af te wijken van dat bestemmingsplan. Hierbij werd de zogenoemde kruimelregeling toegepast. Dit kan wat betreft het wijzigen van gebruik alleen als geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.

Gevolgen van kwalificatie als stedelijk ontwikkelingsproject

Als sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject moet namelijk een omvangrijkere en langere procedure worden toegepast. Maar wanneer is nou sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject?

Het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ bestaat al langer en is opgenomen in het Besluit m.e.r., waarin is geregeld in welke gevallen een m.e.r.-(beoordelingsplicht) geldt. Sinds enige tijd is dit begrip ook van belang voor de kruimelregeling, omdat die regeling niet voor een functiewijziging mag worden toegepast als sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Om dit begrip te duiden leek de rechtspraak in eerste instantie aan te sluiten bij het begrip stedelijke ontwikkeling zoals we dat kennen van de ladder voor duurzame verstedelijking.

Jurisprudentie Afdeling

Ten aanzien van het stedelijk ontwikkelingsproject had de Afdeling tot nu toe vooral uitspraken gedaan over situaties waarin de ene vorm van detailhandel werd omgezet naar een andere vorm van detailhandel. Daarover oordeelde de Afdeling in de uitspraken van 31 januari jl. (ECLI:NL:RVS:2018:348) en 18 april jl. (ECLI:NL:RVS:2018:1297) dat dan geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Over één van die uitspraken schreef ik eerder al dit blog. Daarbij achtte de Afdeling van belang dat er reeds sprake was van detailhandel en dat dit ten gevolge van de omgevingsvergunning niet veranderde.

Feitelijke gevolgen en planologische vergelijking

In deze casus is er echter wel sprake van een duidelijke functiewijziging. Daarom voerden appellanten aan dat de milieugevolgen aanzienlijk zouden afwijken van het bestaande gebruik. Door appellanten werd daarover nog naar voren gebracht dat het te vergunnen gebruik moest worden vergeleken met het laatst aanwezige gebruik en dus niet met alle reeds aanwezige planologische mogelijkheden.

De Afdeling oordeelt dat ook in dit geval geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. De Afdeling oordeelt dat de milieugevolgen niet zodanig zullen zijn dat het project moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Wat opvalt is dat de Afdeling daarbij aansluit bij de mogelijkheden die het bestemmingsplan reeds biedt. De Afdeling sluit daarbij dus niet aan bij hetgeen ter plaatse feitelijk aanwezig is of was, maar bij de planologische situatie.

Dit is opvallend, omdat het begrip stedelijk ontwikkelingsproject uit dezelfde wet komt als waar de m.e.r.-(beoordelings)plicht in is geregeld en voor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt dat wél wordt aangesloten bij de feitelijke situatie, inclusief de autonome ontwikkeling.

De Afdeling oordeelt dus anders. Bij het antwoord op de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject vergelijkt zij de ingevolge het bestemmingsplan reeds toegestane functies met de te vergunnen functie. De Afdeling kiest dus blijkbaar voor een planologische vergelijking.

Geen parallel met stedelijke ontwikkeling

Middels deze uitspraak wordt duidelijk dat ook een forse functiewijziging, zelfs als het gebruik van "kleur verschiet" en toch tamelijk omvangrijk is, geen stedelijke ontwikkelingsproject hoeft te zijn. De uit eerdere jurisprudentie van de Afdeling af te leiden lijn dat de Afdeling (mede) zou aansluiten bij het begrip stedelijke ontwikkeling van het Besluit ruimtelijke ordening wordt met deze uitspraak overigens ook verlaten.

Robin Evens.

Advocaat: Omgeving en overheid

25 juli 2018 Kennis

Stuur Robin een reactie

  • Bescherming persoonsgegevens:
    U kunt erop vertrouwen dat wij uw persoonlijke gegevens verwerken volgens onze privacy policy.