Help: de curator verkoopt mijn spullen! (tips voor leveranciers in geval van faillissement)

Door de vele faillissementen in de retail is het eigendomsvoorbehoud erg hot. Een eigendomsvoorbehoud wordt vaak in de algemene voorwaarden van een leverancier opgenomen. De betekenis van een eigendomsvoorbehoud is dat de geleverde goederen eigendom blijven van de leverancier totdat de betreffende facturen door de klant aan de leverancier zijn betaald.

Het eigendomsvoorbehoud kent allerlei verschijningsvormen, waaronder een beperkt en uitgebreid eigendomsvoorbehoud. Daar is al veel over geschreven. Deze blog gaat over de vraag wat te doen als de curator in geval van faillissement de onder eigendomsvoorbehoud geleverde goederen in het kader van de voortzetting van het bedrijf of een doorstart verkoopt.

Teruggave van geleverde voorraden

Het eigendomsvoorbehoud geeft de leverancier in beginsel ook in faillissement het recht de niet-betaalde en door hem geleverde goederen terug te nemen. Vaak werken curatoren hier aan mee onder de voorwaarden dat (1) een redelijke, kostendekkende, boedelbijdrage wordt betaald en (2) de retour genomen goederen worden gecrediteerd tegen factuurwaarde.

Verkoop van geleverde voorraden en vergoeding van de schade

Een curator kan, bijvoorbeeld in het belang van een mogelijke doorstart (met behoud van werkgelegenheid en waarde), er echter ook voor kiezen de onder eigendomsvoorbehoud geleverde goederen niet aan de leverancier terug te geven, maar deze in de winkels te laten liggen ter verkoop aan klanten of ter verkoop aan een doorstartende partij. Als de leverancier dan teruggave van zijn geleverde goederen eist, kan de curator een afkoelingsperiode gelasten. Daarmee wordt dan het terugneemrecht van de leverancier met een eigendomsvoorbehoud in grote mate beperkt.

De positie van de curator kenmerkt zich hierdoor dat hij bij de uitoefening van zijn taak steeds rekening moet houden met verschillende, vaak tegenstrijdige belangen. Hij dient primair de boedel te beheren ten behoeve van de schuldeisers, maar hij dient ook rekening te houden met de belangen van de failliet en met derden, zoals eigenaren. Bovendien wordt van de curator verwacht dat hij oog heeft voor belangen van maatschappelijke aard, zoals de continuïteit van een onderneming en de werkgelegenheid.

In verband hiermee wordt algemeen aangenomen dat de curator tijdens de afkoelingsperiode eigendommen van derden mag verkopen in geval sprake is van zwaarwegende belangen die prevaleren boven de belangen van individuele schuldeisers/eigenaren, zoals hier aan de orde. De curatoren handelen dus niet onrechtmatig door de enkele continuering van de verkoop.

Algemeen wordt aangenomen dat de curator dan een redelijke vergoeding aan de leverancier moet betalen als hij de voorraad van de leverancier verkoopt. Er wordt dan immers inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de leverancier. De vraagt rijst natuurlijk wat een redelijk vergoeding is.

Een redelijke (schade)vergoeding

Leveranciers stellen zich vaak op het standpunt dat zij dan de factuurwaarde (inkoopprijs) van de door de curator verkochte voorraad die nog hun eigendom was, betaald willen krijgen. Onlangs heeft de rechtbank Den Haag in het faillissement van Etam hierover een aardig vonnis gewezen.

De rechtbank heeft beslist dat de leverancier niet per se aanspraak kan maken op de factuurwaarde (inkoopwaarde) van de voorraad die de curatoren hebben verkocht. De rechtbank overweegt dat er een schadevergoeding moet worden betaald die enerzijds niet hoger is dan de verrijking van de boedel (de curatoren) en anderzijds mag die schadevergoeding niet verder gaan dan het bedrag van de verarming van de leverancier.

Ter bepaling van de verarming van de leverancier moet er volgens de rechtbank een vergelijking worden gemaakt tussen de werkelijke situatie waarin de kleding is doorverkocht door de curatoren en het geval dat de leverancier als eigenaar de kleding had teruggekregen.

Dit betekent dat een leverancier zal moeten stellen en bewijzen voor welke prijs hij de teruggenomen voorraad weer in de markt zou kunnen doorverkopen (aan een andere retailer).

Daarbij zijn natuurlijk allerlei omstandigheden van belang: denk bijvoorbeeld aan een houdbaarheidsdatum voor etenswaren en dranken, maar denk ook aan modegevoeligheid van bepaalde producten of de vraag of er wel of niet nadien een nieuwe serie van het product op de markt is gekomen, of andere technische ontwikkelingen, bijvoorbeeld bij concurrenten, waardoor de voorraad minder waard is geworden dan ten tijde van de inkoop door het later gefailleerde bedrijf. Ook kan er zelfs al waardevermindering zijn opgetreden doordat de verpakking verkleurd is, of vochtig is geweest.

Ook zal moeten blijken welke kosten er zouden zijn gemoeid met het terughalen van de voorraad uit het faillissement. Als dat niet duidelijk wordt of is, kan de rechtbank die kosten schatten. Daarbij moeten dan niet alleen de eigen kosten van de leverancier (zoals transportkosten langs het distributiecentrum en de diverse winkels) worden gerekend maar ook de kosten die de curatoren moeten maken om het terughalen van de voorraad door die specifieke leverancier mogelijk te maken. De rechtbank noemt als door de curatoren te verrichten werkzaamheden het begeleiden door een vertegenwoordiger van de curatoren tijdens de ophaalactie en de te verrichten acties ter plekke, zoals het (laten) uitsorteren per winkel en in het distributiecentrum.

Conclusies

De eerste belangrijke conclusie uit dit vonnis is dat een leverancier geen harde aanspraak heeft op de factuurwaarde, de oorspronkelijke inkoopprijs, en dus het zogenaamde wederverkoopverlies in beginsel voor eigen rekening zal moeten nemen (tenzij hij die schade op een andere manier kan verhalen). De leverancier moet stellen en bewijzen hoe hoog de opbrengsten (minus de kosten) zouden zijn geweest, als hij zijn voorraad terug had mogen nemen en opnieuw had kunnen verkopen.

Tweede aandachtspunt uit dit vonnis is dat de curatoren inderdaad voor hun kosten voor de begeleiding van de teruggave van de onder eigendomsvoorbehoud geleverde voorraad een redelijke (kostendekkende) boedelbijdrage kunnen en mogen vragen. Dit had de rechtbank Haarlem eerder ook al vastgesteld in een zaak tussen Heineken en een curator en dit wordt in zijn algemeenheid ook als redelijk beschouwd - en aangenomen als geldend recht.

Ook gepubliceerd in Graydon.nl, 5 oktober 2016
Erik Jansen.

Partner: Ondernemen

05 oktober 2016 Kennis

Stuur Erik een reactie

  • Bescherming persoonsgegevens:
    U kunt erop vertrouwen dat wij uw persoonlijke gegevens verwerken volgens onze privacy policy.