Kennis

Bancaire zorgplicht jegens derden

  35x      3 min      9 June 2022

Al eerder zagen we dat de zorgplicht van de bank zich niet beperkt tot eigen klanten of relaties. Zo heeft de bank ook een zorgplicht ten aanzien van derden.

In dit derde artikel van de reeks houden we de bancaire zorgplicht jegens derden tegen het licht. Centraal staat de reikwijdte van de zorgplicht en de personen die zich op een eventuele schending van deze zorgplicht kunnen beroepen.

Reikwijdte bancaire zorgplicht jegens derden

De maatschappelijke functie van banken brengt een bijzondere zorgplicht met zich, ook jegens derden met wier belangen zij rekening behoort te houden. De reikwijdte van deze zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval.

De zorgplicht van de bank is niet beperkt tot zorg jegens personen die in een contractuele relatie tot de bank staan. Zij moet tot op zekere hoogte ook derden beschermen tegen hun eigen lichtvaardigheid en hun gebrek aan kunde en inzicht. Uit rechtspraak blijkt dat actie van de bank wordt verlangd op het moment dat zij zich bewust is, of bewust hoort te zijn, van de risico’s waaraan derden worden blootgesteld. Bovendien volgt uit een uitspraak van de Hoge Raad uit 2015[1] dat de zorgplicht zelfs nog wat verder wordt uitgebreid en dat in bepaalde situaties een bank derden moet informeren als zij onregelmatigheden ontdekt op de rekeningen.

De zorgplicht kan zich ook uitstrekken tot derden die voor een klant van een bank zekerheid verschaffen (derdenzekerheid), zoals een bestuurder van een vennootschap die een hypotheekrecht verstrekken op zijn privé woning voor de financiering aan het bedrijf waarvan hij aandeelhouder en bestuurder is. De inhoud van de zorgplicht voor personen die derdenzekerheid verschaffen is sterk afhankelijk van de fase waarin partijen zitten. Er is namelijk een verschil tussen de precontractuele fase en de contractuele fase. De zorgplicht van de bank geldt in beide fases, alleen verschilt die zorgplicht qua verplichtingen. Zo bestaat er in de precontractuele fase een onderzoeksplicht/adviesplicht, terwijl deze niet geldt in de contractuele fase.

Omdat deze fases en de verplichtingen die zij met zich brengen zo van elkaar verschillen, is het lastig om algemene regels te formuleren wanneer een bank haar zorgplicht schendt en aansprakelijk is jegens een derde. Voor de inhoud van de zorgplicht in de precontractuele fase wordt vooral gekeken naar de omstandigheden op het moment van het verschaffen van zekerheid, terwijl bij de contractuele fase alle omstandigheden tijdens de duur van de zekerheid van belang zijn. Deze laatste zijn aan veranderingen onderhevig.

Wie kwalificeert als een ‘derde’?

Het zou onwenselijk zijn om de groep ‘derden’ zo breed te maken dat vrijwel iedereen hier onder zou vallen. Dit zou ook voor de bank onuitvoerbaar zijn. Desalniettemin is de groep die kwalificeert als derde vrij groot.

Allereerst zijn dat nabije derden, zoals particuliere borgen. Dergelijke derden verstrekken een borgtocht voor het geval een klant van de bank zijn verplichtingen jegens de bank niet nakomt. Deze particuliere borgtochten brengen risico’s met zich voor degene die de zekerheid stelt en de bank moet deze derde daarvoor behoeden, althans moet rekening houden met de belangen van deze derden.

Daarnaast zijn er ook verder verwijderde derden die aanspraak kunnen maken op de zorgplicht van de bank. Denk daarbij aan klanten van de klant van een bank. Aansprakelijkheid voor deze personen werd aangenomen in het Safe Haven-arrest.[2]

Waar voorheen de zorgplicht jegens derden alleen voor particulieren gold, heeft het Hof Den Haag dit verder uitgebreid naar ‘professionele’ derden.[3] Als de bank zich bewust is van ongebruikelijke activiteiten die gevaren met zich kunnen brengen, rust er een zorgplicht op banken, onder omstandigheden ook richting beleggers, althans ‘professionele’ partijen.[4] De omstandigheid dat deze derde een professionele partij is, weegt wel mee bij de invulling van de zorgplicht, maar vormt geen grond om de zorgplicht niet aanwezig te achten.

De derde dient wel enige verbondenheid met de bank te hebben. De derde komt geen beroep op de zorgplicht toe indien hij met de bank geen enkele band had.[5] Echter, deze grens is niet bijzonder hard omdat op grond van bepaalde omstandigheden de bank alsnog rekening dient te houden met derden die buiten deze reikwijdte vallen.

Conclusie

De concrete groep derden die aanspraak kunnen maken op de zorgplicht van de bank is de afgelopen jaren uitgebreid. Daarmee is de reikwijdte van de zorgplicht van banken jegens derden ook groter geworden. De lat voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bank door schending van de zorgplicht ligt nog steeds vrij hoog. Deze is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het geval, waarbij een schending niet zomaar wordt aangenomen. Duidelijk is wel dat de mogelijkheid ook aan bepaalde derden toekomt om zich hierop te beroepen. De kans van slagen voor nabije derden zal in de regel groter zijn dan ver(der) verwijderde derden.


[1] ECLI:NL:HR:2015:2741.

[2] Safe Haven-arrest.

[3] ECLI:NL:GHDHA:2018:2417.

[4] ISG/Danstruplund.

[5] Rb. Rotterdam 13 juli 2011, JOR 2011/335, r.o. 4.12.


Lees ook


Stuur Heleen uw reactie of vraag:


  • Uw reactie wordt niet online geplaatst. U kunt erop vertrouwen dat wij uw persoonlijke gegevens verwerken volgens onze privacy policy.

Als professional blijft u met onze nieuwsbrief altijd op de hoogte van de laatste ontwikkelingen.