Het risico van bestuurdersaansprakelijkheid

De hoofdregel in ons rechtssysteem is dat een bestuurder van een rechtspersoon niet in privé aansprakelijk is voor de schulden van die rechtspersoon. Dit heet “het schild van rechtspersoonlijkheid”.

Er zijn echter omstandigheden denkbaar waarin dit schild doorbroken wordt. Dat heeft tot gevolg dat een bestuurder in wél privé aansprakelijk is.

Wanneer is dat het geval?

In dit artikel bespreek ik de drie belangrijkste gronden voor bestuurdersaansprakelijkheid. Dit zijn:

  1. Onbehoorlijke taakvervulling (artikel 2:9 BW);
  2. Onbehoorlijk bestuur (artikel 2:248 BW);
  3. Onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).

Ik zal hieronder iedere grond kort toelichten.

Onbehoorlijke taakvervulling: artikel 2:9 BW

Iedere bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Doet een bestuurder dat niet en kan hem ter zake een ernstig verwijt gemaakt worden, dan is hij aansprakelijk jegens de rechtspersoon.

Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW gelden dus twee vereisten:

  1. Er is sprake van onbehoorlijk bestuur door de bestuurder en
  2. De bestuurder kan hiervan een ernstig verwijt gemaakt worden.

Voor beantwoording van de vraag of sprake is van (on)behoorlijk bestuur moet nagegaan worden of de bestuurstaak is uitgevoerd met het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.

Er dient dus te worden gekeken naar hoe een zorgvuldige bestuurder – de Maatman bestuurder – de taak zou hebben uitgevoerd.

Voor de vraag of sprake is van een ernstig verwijt moet volgens de Hoge Raad naar alle omstandigheden van het geval gekeken worden. Relevante omstandigheden zijn volgens de Hoge Raad:

  1. De aard van de door de rechtspersoon uit te oefenen activiteiten;
  2. De in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s;
  3. De taakverdeling binnen het bestuur;
  4. De eventueel binnen het bestuur geldende richtlijnen;
  5. De gegevens waar de bestuurder over beschikte of overbehoorde te beschikken;
  6. Het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak is berekend en deze nauwgezet vervult.

Van onbehoorlijke taakvervulling en een ernstig verwijt is in ieder geval geen sprake bij alledaagse fouten. Bestuurders hebben nu eenmaal te maken met risico’s.

Het in strijd handelen met statutaire bepalingen die rechtspersoon beogen te beschermen, leidt in de regel wel tot het oordeel onbehoorlijk taakvervulling en ernstige verwijtbaarheid.

Goed om te weten is dat artikel 2:9 BW een collectieve aansprakelijk betreft. Dat betekent dat als één bestuurder in de fout gaat, in beginsel alle bestuurders hoofdelijk aansprakelijk zijn.

Reden te meer dus om scherp te zijn op medebestuurders!

Onbehoorlijk bestuur: artikel 2:248 BW

Artikel 2:248 BW bepaalt dat in geval van faillissement van een vennootschap iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het boedeltekort – grof gezegd alle schulden die niet betaald kunnen worden uit de opbrengsten van het faillissement – als:

  1. Het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld;
  2. Aannemelijk is dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is.

Artikel 2:248 BW geldt alleen in faillissement. Alleen een curator kan een beroep doen op dit artikel. Gaat de vennootschap niet failliet, dan loopt u geen risico op grond van dit artikel.

Inhoudelijk komt de norm van artikel 2:248 BW in belangrijke mate overeen met artikel 2:9 BW.

De Hoge Raad heeft namelijk diverse malen geoordeeld dat van kennelijk onbehoorlijk bestuur sprake is als “geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben.”

Belangrijk voor de praktijk is dat het kennelijk onbehoorlijk bestuur onweerlegbaar vaststaat en dat voorts vermoed wordt dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is als:

  1. De administratieplicht van artikel 2:10 BW geschonden is, of;
  2. De publicatieplicht van artikel 2:394 BW geschonden is.

Het is dus zaak om als bestuurder de administratie van de vennootschap op orde te hebben en uw jaarrekeningen steeds tijdig – dat wil zeggen binnen de maximale termijn van twaalf maanden na het boekjaar – te publiceren.

Artikel 2:248 BW betreft een collectieve aansprakelijkheid. Het artikel kent – net als artikel 2:9 BW – de mogelijkheid voor individuele bestuurders om zich disculperen en de schade kan onder omstandigheden gematigd worden. Het is aan de bestuurder om daarop een gemotiveerd beroep te doen.

Onrechtmatige daad: artikel 6:162 BW

Naast de aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de rechtspersoon op grond van artikel 2:9 BW en de aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de gezamenlijke schuldeisers in faillissement op grond van artikel 2:248 BW, kan een bestuurder ook aansprakelijk zijn tegenover een derde (vaak een individuele schuldeiser). De grondslag daarvoor is onrechtmatigde daad (artikel 6:162 BW).

Artikel 6:162 BW bepaalt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander daardoor lijdt, te vergoeden.

Ten aanzien van deze bestuurdersaansprakelijkheid is in de rechtspraak uitgewerkt dat van een onrechtmatige daad van de bestuurder tegen een derde alleen sprake is als de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Van een persoonlijk ernstig verwijt is in de regel sprake als:

  1. De bestuurder namens de rechtspersoon een overeenkomst aangaat, waarvan de bestuurder weet dat de rechtspersoon niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst kan voldoen en geen verhaal biedt;
  2. De bestuurder bewerkstelligt of laat toe dat de rechtspersoon een reeds aangegane overeenkomst niet nakomt en geen verhaal biedt;

Naast voornoemde situaties zijn er nog andere situaties denkbaar waarin sprake kan zijn van een persoonlijke ernstig verwijt. Zo is het bijvoorbeeld erg risicovol om bepaalde opbrengsten van de rechtspersoon aan een bepaalde schuldeiser toe te zeggen en dat vervolgens niet te doen. Het aldus alloceren van opbrengsten van de rechtspersoon brengt namelijk ook het risico van bestuurdersaansprakelijkheid met zich.

Conclusie

Dit artikel beschrijft de meest voorkomende situaties van bestuurdersaansprakelijkheid. Het is dus van belang dat een bestuurder in ieder geval op deze situaties let om de kans op privé aansprakelijkheid zoveel mogelijk te voorkomen.

De door mij beschreven situaties zijn niet-uitputtend. Er zijn ook nog andere situaties denkbaar waarin een bestuurder in privé aansprakelijk is.

U kunt dan bijvoorbeeld denken aan aansprakelijkheid jegens de fiscus voor het niet (tijdig) melden van betalingsonmacht (artikel 36 Invorderingswet 1990), aansprakelijkheid voor een misleidende jaarrekening (artikel 2:249 BW), of aansprakelijkheid voor de verplichte inschrijving van een vennootschap in het Handelsregister (artikel 2:180 BW).

Kortom, het schild van rechtspersoonlijkheid is niet altijd zo sterk als het op het eerste gezicht lijkt.

Dat brengt risico’s voor een bestuurder met zich en kansen voor een schuldeiser die zich benadeeld voelt en de bestuurder aansprakelijk wenst te stellen.

Het is voor bestuurders gezien het voorstaande nuttig om periodiek een quick-scan te laten uitvoeren om na te gaan of zij risico’s lopen. Dat geldt zowel in goede tijden als in slechte tijden.

Aan de hand van die quick-scan kunnen vervolgens concrete maatregelen genomen worden om het risico op bestuurdersaansprakelijkheid tot een minimum te beperken.

Voor schuldeisers is het nuttig om te onderzoeken of er wellicht mogelijkheden zijn om naast de rechtspersoon ook de bestuurder aansprakelijk te stellen. Dat kan soms namelijk lonen.

Reinier Pijls.

Advocaat: Ondernemen

06 september 2019 Kennis

Stuur Reinier een reactie


  • U kunt erop vertrouwen dat wij uw persoonlijke gegevens verwerken volgens onze privacy policy.