Ook hoger normaal maatschappelijk risico bij woningbouw op uitbreidingslocatie

Het is vaste jurisprudentie dat bij planschade door woningbouw op een inbreidingslocatie in beginsel een hoger normaal maatschappelijk risico van 5% wordt toegepast. In zijn uitspraak van 12 juni jl. (ECLI:NL:RVS:2019:1892) heeft de Afdeling zelf een hoger normaal maatschappelijk risico vastgesteld voor planschade ten gevolge van woningbouw op (grotendeels) een uitbreidingslocatie.

Planschade

Door de vaststelling van een planologisch besluit kan schade geleden worden omdat de waarde van  onroerende zaken kan afnemen door toegestane ontwikkelingen in de directe omgeving. Die planschade kan in aanmerking komen voor vergoeding door de overheid. Er zijn echter veel gevallen waarin de overheid die verplichting heeft doorgelegd naar de initiatiefnemer.

Normaal maatschappelijk risico

In de wet is vastgelegd dat minimaal het deel van de planschade dat gelijk is aan 2% van de waarde van de onroerende zaken voor inwerkingtreding van het planologisch besluit, voor rekening blijft van de eigenaar. Dit wordt het ‘normaal maatschappelijk risico’ genoemd.

Dit normaal maatschappelijk risico geldt alleen als er sprake is van planschade door ontwikkelingen in de nabijheid. Dit geldt dus niet voor planschade door het wijzigen van de bestemming van het eigen perceel.

Van dit wettelijke minimum kan worden afgeweken door een hoger normaal maatschappelijk risico vast te stellen. Dit gebeurt steeds vaker.

5% normaal maatschappelijk risico bij inbreiding

Het is al langere tijd vaste jurisprudentie dat de Afdeling bij woningbouw die gelegen is op een inbreidingslocatie een normaal maatschappelijk risico van 5% toepast, mits de woningbouw in de lijn der verwachtingen lag, deze naar aard en omvang past binnen de ruimtelijke structuur en past in het in een reeks van jaren gevoerde planologisch beleid. Het was ook al duidelijk dat het normaal maatschappelijk risico van 5% kan worden toegepast als een inbreidingslocatie tevens kenmerken van een uitbreidingslocatie heeft.

Verhoogd normaal maatschappelijk risico bij uitbreidingslocatie

In de zaak van 12 juni jl. oordeelt de Afdeling expliciet dat ook in het geval van woningbouw op (grotendeels) een uitbreidingslocatie sprake kan zijn van een hoger normaal maatschappelijk risico.

In deze zaak zijn de adviseurs en het college uitgegaan van het wettelijk minimum van 2% normaal maatschappelijk risico. Het college was tot dat oordeel gekomen omdat er volgens haar geen sprake was van concreet beleid waarbinnen deze woningbouw zou passen en de twee te realiseren woningen bovendien niet pasten binnen de ruimtelijke structuur van de bestaande bebouwing. Daar kwam volgens het college nog bij dat gelet op de afstand tot de woning van de aanvrager de gevolgen voor het woon-leefklimaat in grote mate merkbaar zouden zijn. Op grond daarvan en rekening houdend met de hoogte van schade, valt de schade niet geheel binnen het normaal maatschappelijk risico en blijft deze beperkt tot het wettelijke minimum, aldus het college.

De Afdeling is het hier niet mee eens. De Afdeling stelt vast dat woningbouw in een woonkern in beginsel als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden gezien en dat deze ontwikkeling, in ieder geval deels, past binnen het door de gemeente gevoerde beleid. Dat baseert de Afdeling op het voorgaande bestemmingsplan, waarin dit perceel de aanduiding "extensiveringsgebied wonen" had, met als gevolg dat bij een afbouw van agrarische activiteiten binnen het gebied of ten behoeve van ruimtelijke kwaliteitswinst, de bouw van een extra woning mogelijk was. Bovendien is voor dit specifieke bouwplan gebruik gemaakt van de welbekende "ruimte-voor-ruimteregeling", hetgeen de Afdeling voldoende concreet beleid vindt om deze woningbouw als liggend in de lijn der verwachtingen te bestempelen.

Afdeling stelt zelf normaal maatschappelijk risico vast

Wat vervolgens opvalt, is dat de Afdeling niet terugverwijst naar de gemeente, maar zelf direct het toe te passen normaal maatschappelijk risico vaststelt en motiveert.

De Afdeling oordeelt dat het normaal maatschappelijk risico 3% (en niet hoger) dient te zijn omdat het grotendeels een uitbreidingslocatie betreft die voorheen een agrarische bestemming had en het daardoor niet in de lijn der verwachtingen lag dat de woningbouwontwikkeling juist hier plaats zou vinden. Bovendien houdt de Afdeling rekening met de lage bebouwingsdichtheid van omliggende gronden, de relatief beperkte omvang van de bestaande bebouwing in de directe omgeving en de relatief geringe afstand tussen de vrijstaande woningen en de onroerende zaak van de planschadeverzoeker. Dat heeft tot gevolg dat de Afdeling oordeelt dat de ontwikkeling niet binnen de bestaande ruimtelijk structuur van de omgeving past.

Aangezien woningbouw in beginsel als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd, die in ieder geval deels binnen het door de gemeente gevoerde beleid valt en wat betreft zijn aard wel in de ruimtelijke structuur past, wordt het normaal maatschappelijk risico vastgesteld op 3% in plaats van 2%.

Gevolgen uitspraak

Deze uitspraak is vrij bijzonder omdat door de Afdeling duidelijk wordt geoordeeld dat ook bij woningbouw op een uitbreidingslocatie sprake kan zijn van een ontwikkeling die moet worden gezien als een normale maatschappelijke ontwikkeling.

De maatstaf die de Afdeling vervolgens hanteert voor het toepassen van een hogere drempel is verder niet heel streng. Zij neemt genoegen met vrij algemene beleidsregels zoals de "ruimte-voor-ruimte regeling" en zoekt wat betreft het door de gemeente gevoerde beleid ook aansluiting bij een oud bestemmingsplan, terwijl dat bestemmingsplan deze ontwikkeling op zichzelf niet meteen  toestond.

Verder valt ook op dat de Afdeling weliswaar blijft benoemen dat het in beginsel aan het college is om de hoogte van normaal maatschappelijk risico vast te stellen , maar dat zij dit zeer indringend toetst en desnoods vervolgens zelf vaststelt.  Als de Afdeling over voldoende informatie beschikt zal de Afdeling het normaal maatschappelijk risico dus zelf vaststellen, in plaats van terugverwijzen voor een nieuw besluit van het college.

Robin Evens.

Advocaat: Omgeving en overheid

19 juni 2019 Kennis

Stuur Robin een reactie

  • Bescherming persoonsgegevens:
    U kunt erop vertrouwen dat wij uw persoonlijke gegevens verwerken volgens onze privacy policy.